Onze nieuwe columnist Maaike van der Plas treedt in de voetsporen van haar vader en oud-columnist Dick van der Plas: ’Nu is het mijn beurt’

Maaike van der Plas.
© KUIPERS, HIELCO

Jarenlang was pagina twee van deze krant voor mij een gevreesde plek. Toen mijn vader in 1998 hier voor het eerst een column kreeg, had ik dat als zesjarige nog niet in de gaten. Pas naarmate ik ouder werd, begon het op te vallen hoe vaak mijn leraren op de basisschool of de ouders van vriendinnetjes kennis leken te hebben van specifieke situaties uit ons gezinsleven.

Op een dag sloeg ik de krant open en zag ik mijn vader daar zitten, afgedrukt in zwart-wit, op de leuning van een stoel. Met verbijstering en afgrijzen las ik zijn verslagen, waarin mijn moeder, broertje en ik regelmatig de hoofdrol speelden. „Je schrijft leugens!”, riep ik tegen hem. „Ik schrijf columns”, kreeg ik droogjes terug. „Dat is wat anders.”

Zo komt het dat vrijwel mijn gehele jeugd, met een sterk wisselend waarheidsgehalte, is vastgelegd in inkt. Ruzies met mijn broertje, mijn gebrek aan talent bij de blokfluitles, mijn obsessieve liefde voor Harry Potter en bezoekjes aan de jeugdarts: het is in detail beschreven. Af en toe verscheen er een ingezonden brief van iemand die het zielig voor ons vond, om zo zonder enige privacy te worden opgevoerd voor het (leed)vermaak van anderen. Het mocht niet baten. Het grootste deel van het lezerspubliek smulde van de herkenbare belevenissen van de ’pretvader’.

Pas rond mijn vijftiende begon ik voorzichtig enige waardering voor de stukjes te krijgen. Het hielp dat ik zelf begon met schrijven. Mijn vader leerde me de basisbeginselen van zijn vak, zoals het belang van een goede eerste zin en een nog betere laatste. Onze capaciteit om columns te produceren is misschien genetisch ingegeven, maar ook het onvermogen om ons op emotioneel gebied verbaal uit te drukken.

Wij vertrouwen ons gevoel liever toe aan het papier. De krant werd zo een communicatiemiddel, ook tussen ons beiden. Na belangrijke gelegenheden (het overlijden van een familielid, maar ook een diploma-uitreiking) ging ik snel op zoek naar mijn vaders column om zijn perspectief te lezen. Uiteindelijk was het zelfs met weemoed dat ik hem afscheid zag nemen van pagina twee.

Inmiddels zijn we een half decennium verder en ben ik, na enkele omzwervingen, een van zijn opvolgers geworden. Voorzichtig probeer ik zijn pose uit, zittend op de leuning van een wiebelende klapstoel. De wijdbeense positie werkt voor een vrouw wat minder goed.

Ik moest op eigen wijze op de foto. Ook qua onderwerpkeuze zal ik hem niet kunnen volgen; ik heb geen kleine kinderen die ik ongegeneerd kan exploiteren voor een goed verhaal. Wel heb ik een leuke baan als neuroloog in opleiding, interessante hobby’s en ouders die vast geen bezwaar maken tegen een figurantenrol.

Ik vraag me af met welk gevoel mijn vader vanochtend de krant openslaat. Om het zeker te weten, zou ik hem een weekje deze column moeten laten schrijven. Maar dat gaan we niet doen. Nu is het mijn beurt.

Net binnen