Als we van de geneeskunde ook eens Olympische Spelen zouden maken | column

Maaike van der Plas

De afgelopen twee weken kijken we in de pauze op de artsenkamer regelmatig naar de Olympische Spelen. Dat leidt tot een aantal interessante discussiepunten.

Welke sport zou je het liefst zelf beoefenen? Bij welke wedstrijd is de kans om in het ziekenhuis te eindigen het grootst? En als we van de geneeskunde ook een Olympische Spelen zouden maken, welke onderdelen zijn er dan te bedenken? Snelste afdelingsvisite? Mooiste neurologisch onderzoek? Meeste patiënten gezien tijdens een dienst op de Spoedeisende Hulp?

De mogelijkheden zijn eindeloos. Dat bedenk ik ook als ik even later aan de telefoon zit met een medisch specialist die duidelijk voor goud gaat op het onderdeel ’arts-assistenten op hun nummer zetten’. Dit lijkt zowel een duur- als een jurysport. De specialist verwijt mij dat een bepaald onderzoek is mislukt, omdat de patiënt te onrustig was. Ik had dit moeten voorzien en een ander onderzoek moeten aanvragen.

Zelf heb ik als tegenargument proberen aan te voeren dat ik de patiënt nog niet kende toen het onderzoek mislukte, dat ik het onderzoek dus ook niet heb aangevraagd en dat het een indrukwekkende helderziendheid zou hebben vereist om het onderzoek desalniettemin te verhinderen, maar de specialist heeft hier geen boodschap aan. Hij meent dat terechtwijzingen aan mijn adres automatisch bij mijn collega’s aankomen. De preek duurt al vijf minuten.

Net als ik denk dat het betoog toch wel een keer ten einde moet komen, gooit de specialist het over een andere boeg. Hij verwijt nu zijn eigen medewerkers dat ze onvoldoende creativiteit hebben getoond om het onderzoek, ondanks de suboptimale medewerking van de patiënt, alsnog te laten slagen. Ik vraag me af of de jury puntenaftrek geeft voor deze redenering, die volgens mij enige cognitieve dissonantie vertoont. Hoe kun je mij verwijten dat ik het onderzoek heb aangevraagd, omdat ik had moeten weten dat het sowieso gedoemd was te mislukken, en tegelijkertijd de laboranten de schuld geven dat het niet gelukt is en daarmee impliceren dat het wel degelijk mogelijk was om het onderzoek toch tot een goed einde te brengen? Een schoonheidsfoutje.

Hoewel de specialist misschien wat strafpunten incasseert op inhoud, wint hij die ruimschoots terug met stijl. Hij schreeuwt of scheldt niet. Zijn afkeurende woorden worden keurig aaneengeregen, in lange zinnen zonder pauzes. Ik krijg nauwelijks de kans om te onderbreken en als het me soms toch kortdurend lukt, laat hij zich niet uit het veld slaan door enige logica. Hij toont hierbij de vasthoudendheid die je alleen bij de beste atleten ziet.

De specialist gaat voor de afsprong. Hij herhaalt nogmaals zijn belangrijkste punten en bouwt langzaam naar een crescendo. Ik kijk even hoe lang het telefoontje al duurt: zeventien minuten en zesendertig seconden. Een ziekenhuisrecord. Hij gooit zijn laatste zin eruit en valt eindelijk stil. Ik kan maar één ding doen. Ik verontschuldig mijzelf diep voor de misdaad die ik niet heb begaan, bedank hem voor zijn tijd en goede raad, en wens hem een prettige dag.

Als het incasseren van onterechte kritiek ook een Olympisch nummer was, zou ik mijn gouden plak nu ongetwijfeld kunnen ophalen.

Net binnen