Premium

De zon mag weer schijnen in het Art Deco koepelgewelf van de Papevleugel

De zon mag weer schijnen in het Art Deco koepelgewelf van de Papevleugel
Prosper de Jong bij het gerestaureerde koepelgewelf in De Lakenhal.
© Foto Hielco Kuipers
Leiden

Jarenlang lag de kleurrijke glazen koepel boven het imposante trappenhuis in de Papevleugel van De Lakenhal in een depot. Het lichtschijnsel door het gele glas had een onnatuurlijk effect op de geëxposeerde schilderijen en werd ’ergens tussen de jaren dertig en zeventig’ verruild voor een transparante variant. De verbouwing zag men als dé kans om de koepel af te stoffen en terug te brengen. En zo werd er meer in ere hersteld.

De keuken bijvoorbeeld, waarvan op dit moment weer de stijlkamer wordt gemaakt die het ooit was. De keuken is voorlopig overigens nog niet toegankelijk voor publiek, omdat hij nog niet helemaal af is. Onder leiding van conservator kunstnijverheid Prosper de Jong wordt gewerkt aan het herstel.

De keuken was de laatste stijlkamer die Willem Pleyte in 1900 in het museum creëerde en waarin hij de sfeer van de zeventiende en achttiende eeuw wilde oproepen. De oud-Hollandse keuken had volledig betegelde wanden, tegellambrisering en was her en der versierd met tegeltableaus met uitgebreide voorstellingen en omlijstingen alsof het schilderijen waren. Pleyte had zich laten inspireren door de Hindelooper kamer, een Friese stijlkamer die erg populair was in die periode. De Hindelooper kamer was voor het eerst te zien tijdens de Historische Tentoonstelling van Friesland en trok zoveel publiek dat veel musea zo’n zelfde kamer toevoegden. Pleyte ontwierp in De Lakenhal een eigen ’Leidse’ kamer, maar wel met de Friese invloeden.

In de jaren zeventig gooiden vocht en schimmelvorming roet in het eten: de keuken moest deels worden ontmanteld. De Jong: „Maar de meeste van de verwijderde tegels zijn bewaard gebleven en die krijgen nu weer een plek.”

Hetzelfde geldt dus voor de koepel. De Papevleugel waarin de koepel te zien is, werd in 1919-1922 gebouwd als uitbreiding van De Lakenhal door architect W.A. Lensvelt. Behalve nieuwe tentoonstellingsruimte, die ongeveer een verdubbeling van de bestaande museumruimte betekende, kreeg dit bouwdeel ook een nieuwe museumentree aan de Lange Scheistraat.

De bedoeling van de architect was om er een nieuwe hoofdentree voor De Lakenhal van te maken. Dit plan werd nooit uitgevoerd, maar dat wist Lensvelt bij het ontwerp natuurlijk niet. Er werd dan ook veel aandacht besteed aan de hal van de entree: een marmeren vloer in een geometrisch patroon, witte zuilen van zandsteen, een cassetteplafond en een ruim, open trappenhuis met de statige keizerlijke trap.

De bekroning van dit trappenhuis was het ovalen koepelgewelf in Art Deco-stijl met gebrandschilderd glas uitgevoerd door J.W. Gips. Helemaal bovenin is het stadswapen van Leiden te zien, gehouden door twee staande leeuwen. Daar omheen zijn een stralenkrans en acht wapenschilden aangebracht, van Holland, Rijnland, Leiderdorp, Zoeterwoude, Voorschoten, Wassenaar en Oegstgeest. „Alsof Leidens licht schijnt over de omringende gemeenten.” Naast de gemeentewapens is ook het wapen van de familie Pape te zien. De koepel, die dankzij Stichting Pape-Fonds kon worden gerestaureerd, vormt weer een luxe bekroning van het statige interieur.