Premium

Wijkagent Kaag en Braassem zet jongeren zonder ’coronabesef’ een huis uit

Wijkagent Kaag en Braassem zet jongeren zonder ’coronabesef’ een huis uit
Kaag en Braassem

’Vanavond een zestal jongeren gesproken. Ze waren bij iemand op bezoek en zaten strak naast elkaar op de bank. Totaal geen #corona besef. Ik heb ze de woning uitgezet’, twitterde Hennie Wilthof, wijkagent in Kaag en Braassem dinsdag.

Hij hoopt dat zijn tweet voor discussies zorgt, onder meer tussen ouders en hun kinderen. „Vooral jongelui van 16, 17, 18 jaar denken dat ze onsterfelijk zijn. En bij corona beseffen ze onvoldoende dat zij er misschien niet zo ziek van worden, maar dat ze wel anderen kunnen besmetten.”

Om dat besef in brede kring te laten groeien, spreekt hij regelmatig mensen aan op hun gedrag. Met wisselend succes. Zo meldt hij in dezelfde tweet hoe hij eerder deze week acht feestende jongeren op hun verantwoordelijkheid wees.

„Ze zaten in een achtertuin, dicht op elkaar. Toen ik zei dat ze onverstandig bezig waren, hadden ze daar geen oren naar. Ze gingen ook gewoon door met feesten. Ongelooflijk naïef of gewoon heel dom?”

Het was nog wel, meldt hij er enigszins vergoelijkend bij, voor de persconferentie waarop het dringende advies klonk om niet meer dan drie bezoekers in huis te hebben.

Dat lag anders toen hij dinsdagavond vanaf de straat kon zien hoe zes jongeren tegen elkaar hingen in een kleine woonkamer: „Toen ik daar binnenkwam, na keurig te hebben gevraagd of dat mocht, vroegen ze direct of ze nu allemaal een bekeuring van vierhonderd euro zouden krijgen.”

„Nu niet”, maakte Wilthof ze duidelijk. „De volgende keer zijn jullie wel de sjaak. En dat geldt ook wanneer ik jullie op straat zie en jullie daar niet de afstand van 1,5 meter in acht houden.”

Nadat hij ze vriendelijk had verzocht het pand te verlaten - om dwang te kunnen toepassen moet eerst de noodverordening zijn aangepast - deden ze dat ook.

Duimpjes

Zijn indruk in de dorpen van Kaag en Braassem - ’ik heb ze dinsdag allemaal twee keer gehad’ - is dat er weinig wordt ’samengeklit’ op straat en de meeste mensen juist keurig afstand houden. „Daar steek ik ook graag mijn duim voor op.”

De jeugd lijkt vaak een uitzondering, ook de jongste. Het verbaast hem daarbij dat wanneer kinderen van een jaar of 5, 6 in speeltuinen spelen, daar niet altijd ouderlijk toezicht bij is. „Zoiets zouden ouders toch gemakkelijk met elkaar kunnen afspreken. Je moet wel beseffen dat kinderen van die leeftijd een slecht kortetermijngeheugen hebben. De dingen die je ze over corona zegt, zijn ze snel vergeten.”

Dat hij niet de enige is die zich zorgen maakt, merkt hij tijdens zijn rondes.

„Mensen spreken ons er bijvoorbeeld op aan dat buren de dag ervoor acht, negen man over de vloer hadden en vragen ons: kan dit zomaar? Of moeten we dat melden?” Zeker, is dan zijn antwoord. „Wij bekijken dan wat we ermee kunnen en moeten. Zo weten we er hard aan wordt gewerkt om de noodverordening aan te scherpen.”

Hij is ook blij dat minister Grapperhaus van justitie en veiligheid tegen de mensen heeft gezegd dat een feestje later nog kan, al beseft hij dat het niet zo makkelijk is om bij scholieren die deze week opeens geslaagd blijken in toom te houden.

„Daarvoor ligt echt de verantwoordelijkheid bij de ouders. Hoe ver gaan ze er in mee als er tien feestgangers voor de deur staan? Je kan natuurlijk zeggen dat je geen gezeik thuis wilt, maar er is veel mogelijk als je er goed over praat en iedereen bewust maakt van de risico’s. Dat merk ik ook thuis. We ontvangen geen bezoek meer en gaan ook niet meer langs bij de grootouders. Maar toch kun je het gezellig hebben via video chatten.”

Respect

In een reactie laat burgemeester Marina van der Velde weten dat ze ’groot respect heeft voor onze agenten, boa’s en jongerenwerkers die op pad zijn om te kijken of de voorschriften van de regering goed worden nageleefd’.

„Het algemene beeld is dat mensen zich goed aan de voorschriften houden, maar dat er (groepen) jongeren zijn die er problemen mee hebben vanuit een houding ’dat gaat mij niet aan’. Ik denk dat het belangrijk is dat zowel de agenten als de boa’s als de jongerenwerkers iedere plek en situatie aangrijpen om de mensen in het algemeen en de jongeren in het bijzonder te wijzen op hun gedrag.’’