Premium

Hele generaties groeiden op met ’het vlees van Cees’ en ’de ballen van Ria’ in Roelofarendsveen

Hele generaties groeiden op met ’het vlees van Cees’ en ’de ballen van Ria’ in Roelofarendsveen
Slagersechtpaar Cees en Ria van der Meer achter de toonbank van hun zaak in Roelofarendsveen: ,,Ik kom vaak klanten tegen die hun plakkie worst missen.‘’
© Foto Hielco Kuipers

Hele generaties in Roelofarendsveen en omgeving zijn opgegroeid met ’het vlees van Cees’ en ’de ballen van Ria’. Zestig jaar gaf Cees van der Meer (73), geflankeerd door echtgenote Ria, gezicht aan het familiebedrijf (anno 1913) waarvan de vijfde generatie al staat te trappelen. De jaren gaan tellen, noodgedwongen neemt het echtpaar afscheid van de veelbekroonde slagerij en – minstens net zo’n belangrijke factor – van de klanten. ’Maar ik moet het nog wel een plekje geven’.

Om vijf uur op

„Ik was vanmorgen om vijf uur op. Niet dat dat nog hoeft, maar dat ben ik al die jaren zo gewend geweest, dat vroege tijdstip gaat in je ritme zitten. Ik ging altijd meteen door naar de winkel. Daar had ik een goed gevoel bij. Er viel altijd genoeg voor te bereiden. Bovendien had ik om half zeven, zeven uur al klanten in de zaak. Altijd oudere klanten, mensen die dezelfde leeftijd hadden als ik nu heb. Ze kwamen soms alleen omdat ze verlegen zaten om een praatje. Effe langs de slager en de bakker, daar zit een bepaald ritme in.”

In de genen

„Mijn vader was slager, mijn opa is in 1913 met wat hij een vleeschhouwerij en spekslagerij noemde, begonnen in een soort schuurtje aan de Witte Singel hier verderop in de Veen.

Ik ben niet gedwongen, het was mijn vrije keus om ook slager te worden. Na de lagere school ging ik in Leiden naar de ulo. Toen ik daar veertien dagen op zat, zei mijn vader: Cees, je kunt beter thuiskomen, op die school leer je niks. Nou werkte ik ook liever dan dat ik studeerde. Zo ben ik er vanzelf een beetje ingerold. Later heb ik via de avondschool wel het Slagersvak- en Middenstandsdiploma gehaald.”

’Het komt wel goed’

„Het Roelofarendsveen van de jaren zestig was een arm dorp. De meeste inwoners waren tuinders die van de opbrengst van de oogst moesten leven. Mijn opa had nog zo’n ouderwets opschrijfboekje. Daarin hield hij van elke klant de bestellingen en de rekening bij. Dat kon weken of zelfs langer zo doorgaan. De meesten konden pas betalen als de aardbeien, peulen en groffies geoogst waren. Groffies zijn grote augurken met een stekelige huid, een typisch product uit Roelofarendsveen. Of als de kinderbijslag binnen was.

Mijn opa en later mijn vader zaten er nooit mee. Ze zeiden altijd: het komt wel goed, breng die nieuwe bestelling maar. En het kwám ook altijd goed.”

Terug in de tijd

„We gingen elke week bij zo’n 400 klanten langs om de bestellingen op te nemen. Er kwam bijna geen klant in de winkel. Zo ging dat: de bakker, groenteboer, melkboer en kruidenier kwamen ook aan huis. En die grote gezinnen met dertien, veertien, zestien kinderen hadden heel wat nodig hoor. Er waren tijden dat mijn broer, zussen en ik overal rondgingen met die boekjes en bestellingen.

Van lieverlee ging dat over. Met de opkomst van de supermarkten werd bezorgen een jaar of dertig geleden ineens ’ouderwets’ genoemd. En wat doen we tegenwoordig? Iedereen laat weer alles bezorgen! Picnic, Albert Heijn: ik zie die wagens zelfs op zondagavond tien uur, half elf nog rondrijden. We zijn gewoon weer terug in de tijd.”

De rol van Ria (1)

„Mijn vrouw Ria heeft altijd hard in de zaak meegewerkt. Hoe ik haar heb leren kennen? Ik had verkering met een meisje uit De Kwakel en ging met haar mee naar de kerk. Daar was Ria ook, ze ging ter communie. Ik vroeg wie ze was en mijn toenmalige vriendin zei: dat is Ria, een oud vriendinnetje van me. Ze werkt bij een slagerij.

Ik dacht meteen: dié moet ik spreken. Dat gebeurde op een dansavondje. Ik heb er heel veel voor moeten doen hoor, maar ik heb het voor mekaar gekregen. Binnenkort zijn we vijftig jaar getrouwd. Ria is altijd de stille kracht geweest. We deden heel veel samen. Toen de jongens klein waren en al sliepen, in de tijd dat we boven de zaak woonden, gingen we ’s avonds nog effe klussen samen. Er was altijd wat te doen. Dan hing er bijvoorbeeld een halve koe die moest worden bijgesneden of afgevliesd. Afvliezen, dat is schoonmaken van het vlees.”

De rol van Ria (2)

„Ik heb veel van Ria geleerd, en daar ben ik haar heel dankbaar voor. Ze heeft veel bagage meegenomen. Ria had, toen ik haar ontmoette, al bij vijf slagerijen in Amsterdam en Amstelveen gewerkt. Die slagerijen liepen ver op ons voor.

Dáár kenden ze in die jaren zestig, begin jaren zeventig producten als nasi, bami en filet americain. Producten waar wij in de Veen nog helemaal niet van hadden gehoord. Hier verkochten we per klant twee, drie kilo riblappen, vijf pond gehakt. Grote hoeveelheden met al die grote gezinnen. In Amsterdam en Amstelveen was het veel kleinschaliger en verkochten ze zelfgemaakte kroketten en vlug-klaar-vlees. Waar wij het alleen over slavinken en tartaar hadden, liet Ria me kennismaken met blinde vinken, cordon bleu en filet americain.

Ria legde me uit wat filet americain was: fijn gemalen rundvlees met een bepaalde saus erdoor. Ik ging ermee experimenteren. Mijn vader zag me bezig en hij zei: ’Doe je die vuiligheid over dat dure vlees?’ Zo nieuw, zo vreemd was het.”

Trouw aan leverancier

„We werken nog net zo ambachtelijk als vroeger. Niet dat we alles zelf maken, maar wel veel. In ons productiebedrijf worden bijvoorbeeld elke week duizenden kilo’s worst gemaakt. We leveren onze rookworst tegenwoordig aan Albert Heijn onder de noemer streekgebonden producten.

Ik heb al veertig jaar dezelfde toeleverancier, veeteler Duineveld uit Lisse. Al die jaren hebben we nooit woorden gehad. Als er een enkele keer een meningsverschil was, zei hij: dat moeten we meteen oplossen.”

Populaire vleessoorten

„Populaire vleessoorten? Och jee, het assortiment is zo gegroeid en het verandert bijna elk jaar. Veel vlug-klaar-producten, heel veel kant-en-klaarmaaltijden. Veel barbecuevlees en bijbehorende catering. Nu met die corona is alles anders, maar vorig jaar zomer hadden we aan feestjes zo voor vijf- tot zeshonderd man barbecuebestellingen per week.

Ik weet niet eens meer wat er allemaal in de winkel ligt, het is niet bij te houden qua verscheidenheid. Mijn zoons hebben er dan ook weer een andere kijk op dan ik.”

De drie ’jongens’

„Ik ben zó gelukkig met mijn drie jongens. Ze doen fantastisch werk. Dan zegt iedereen: ’Dat is toch niks, alle drie je zoons in de zaak? Die lopen elkaar toch voor de voeten?’

Maar ze hebben alle drie hun eigen taak en vullen elkaar geweldig aan. Patrick is de man van het productiebedrijf.

Marco doet kantoor, personeel en administratie en John de winkels. Ze kunnen het heel goed met elkaar vinden. Dat was vroeger al zo, toen ze alle drie hoog voetbalden.”

Vijfde generatie

„Mijn drie jongens hebben destijds zelf voor het slagersvak gekozen. Ik vergeet nooit dat John het ene moment zat te praten dat hij iets met economie wilde doen. Zegt-ie een dag later: ’Ik ga van school af, ga naar de Slagersvakschool en kom bij je werken’. Ik dacht: krijg nou wat.

En nu zit ook mijn kleinzoon Kevin al in de zaak! Hij heeft ook de Slagersvakschool gedaan. Zo’n fijne jongen. Een echt doe-mens. Als het druk is, zijn alle andere kleinkinderen ook meteen bereid om in te springen.

Ik ben vol trots over die jongens. Ze hebben er bij wijze van spreken meer verstand van dan ik. Bij de laatste keuring van de nationale Keurslagersorganisatie kregen ze in vijf categorieën een tien. Andere jaren waren het achten en negens, ook prima, maar vijf keer een tien! Dat is toch de kroon op je werk.”

Worst uitdelen

„Ik deelde altijd schaaltjes met worst uit aan wachtende klanten. Dat was wel mijn dingetje, daar stond ik om bekend. Nu is die traditie afgeremd vanwege corona, maar ik kom in het dorp vaak mensen tegen die zeggen: ’Ik mis nu ook m’n plakkie worst’.

Dat is een bepaalde service. Zoals ik als klanten hun aankopen vergaten, die ’s avonds even ging nabrengen. Ik belde om zes uur bij een klant aan die haar biefstuk was vergeten. Zei ze: ’Ik wou net gaan bakken’. Ik zeg: ’Dat kan niet, want je biefstukje lag nog bij mij’. Roept haar man: ’Van de slager krijg je service tot aan de juspan toe’. Kijk, zó hoort het.

Klanten die een baby hadden gekregen, vonden als cadeautje een biefstukje aan de deur, het liefst dezelfde dag nog. Moest ik wel oppassen dat ik het allemaal bijhield. Het kon ook gebeuren dat een klant van wie ik dacht dat ze nog hoogzwanger was, ineens met een kinderwagen in de winkel stond. Dan kreeg ze die biefstuk alsnog.”

Groot gemis

„Langzamerhand ben ik ermee gaan stoppen. Je kunt niet eindeloos blijven doorgaan, maar ik zag er héél, héél erg tegenop. In januari kwam ik in het ziekenhuis terecht voor een operatie aan m’n lies en Ria raakte ook in de lappenmand. Toen kon ik weken niet werken. Zo heb ik rustig kunnen afbouwen. Op een gegeven moment heb ik zelf een afscheidsbrief geschreven voor de klanten. Die lag in de la, er zou een groot afscheid komen, totdat corona roet in het eten gooide. Vorige week zei mijn zoon: ’Pa, steeds meer klanten vragen waarom je niet meer achter je slagersblok staat en waar je bent. Zullen we die brief nu maar neerleggen op de toonbank?’ Vanaf dat moment stromen de reacties binnen. Volgens de jongens klapte onze Facebook-pagina uit elkaar. Diezelfde middag kwam ik op de operatietafel in het LUMC terecht omdat ik hartklachten had. Ik ben gekatheteriseerd en twee dagen later was ik weer thuis. Al met al is het een heel ander afscheid geworden dan de bedoeling was. Hopelijk halen we dat na corona wel in.”

Zestig jaar is lang

„Achteraf is het goed dat ik niet van het ene op het andere moment heb hoeven stoppen. Dat had ik nooit gered. Nu ging het geleidelijk. Maar ik mis de slagerij zó verschrikkelijk.

Ja, natuurlijk blijf ik er komen, ik was er vanmorgen nog en einde van de middag wip ik ook nog even langs. Dan spreek je toch weer klanten, van wie ik blij ben ze even te hebben gezien. Het doet me wel goed dat ze allemaal zeggen: ’Je hebt hard genoeg gewerkt, geniet van je rust’.

En nu zijn al die bezigheden weg. Er komt hopelijk weer wat op mijn pad. U merkt het wel hè: ik moet het allemaal nog een plekkie geven. Zestig jaar is héél lang.”