Over de moeder der pandemieën: de Zwarte Dood in Leiden

Prent van de pestepidemie die woede tijdens het beleg van Leiden door de Spanjaarden in 1574.
© Afbeelding Erfgoed Leiden e.o.
Het witte huisje op Aalmarkt 11, in 1456 het eerste pesthuis.
© Foto Cyclomedia
Het Pesthuis dat nooit als pesthuis dienst deed.
© Foto Taco van der Eb
1/3

Het is de moeder der pandemieën: de pest, ook wel bekend als de Zwarte Dood. Eeuwenlang teisterde de ziekte Europa en eiste zij miljoenen levens. We denken dan al snel aan de Middeleeuwen, maar de pest sloeg in Leiden en andere Hollandse steden in de Gouden Eeuw nog veel harder toe. De bijnaam ’Zwarte Dood’ raakte pas in de negentiende eeuw in zwang.

Er waren de afgelopen 1500 jaar verschillende pestpandemieën. De laatste woedde rond 1900 in het Verre Oosten.

Dit artikel gaat echter over de de pest die West-Europa teisterde, van de veertiende tot in de zeventiende eeuw. Die kwam uit Centraal-Azië en bereikte in 1347 Italië door de handel met De Krim.

De ziekte verspreidde zich razendsnel over heel Europa. In 1351 was de pandemie grotendeels uitgewoed. Ongeveer een derde van de Europese bevolking overleed, tussen de twintig en veertig miljoen mensen. Hele streken waren letterlijk uitgestorven.

Maar de pest was niet weg. Nog ruim driehonderd jaar bleef ze doorzieken, soms opflakkerend in grotere epidemieën.

De eerste pandemie bereikte waarschijnlijk Leiden niet. Maar vanaf het eind van de veertiende eeuw was het regelmatig raak. Historicus Rudolph Ladan telde tussen 1400 en 1600 zo’n achttien pestuitbraken: bijna een per tien jaar! Tijdens het Leids Beleg (1574) eiste de pest méér slachtoffers dan de honger.

Raadsel

Tijdens het Beleg hoefde de stad niet afgesloten te worden. Dat hadden de Spaanse troepen al gedaan. Dat laat onverlet dat er wel een klein raadsel over blijft. De pest kon de stad niet uit, maar hoe kwam hij dan de stad in? Het logische antwoord is natuurlijk: met de rat. Maar waarom zijn er dan geen berichten over pestuitbraken op de Spaanse schansen? Meestal aan het water gelegen en met een grote opeenhoping van mensen, zou je verwachten dat de pest ook daar zijn dodelijke kracht liet gelden.

In de zeventiende eeuw sloeg de pest meermaals keihard toe in Hollandse steden. Leiden werd getroffen in 1624/25, 1635 en 1655. Er stierven respectievelijk 9.500, 14.000 en 10.000 Leidenaars, op een bevolking van zo’n 50.000 zielen. De lijken verdwenen in massagraven op het Pelikaans- en Valkenbolwerk, want begraven in de kerk was te gevaarlijk.

De pest is een infectieziekte, veroorzaakt door een bacterie die door vlooien van knaagdieren – meestal ratten – wordt overgedragen. De belangrijkste vormen zijn de builen- en de longpest. Bij de builenpest krijgt de patiënt na een vlooienbeet koorts, spier- en hoofdpijn en gaan de lymfeklieren opzwellen en etteren. Zonder behandeling overlijdt na een dag of vier meer dan de helft van de slachtoffers. Longpest, waarbij de patiënt bloed gaat ophoesten, verloopt sneller en is dodelijker. Zwart kleurden alleen mensen die een derde, zeldzame en nog dodelijker variant hadden.

Straf van God

Dat een bacterie de oorzaak was, ontdekte men pas in 1894. De meeste mensen dachten dat het een straf van God was. Wetenschappers meenden dat het door de stand van de sterren kwam, óf door een rottende stof in de lucht, het miasma, de bron van bijna alle ziekten.

Al snel probeerde men de verspreiding van de pest tegen te gaan door contact met pestlijders te mijden. In Leiden hing men een strohoed aan hun huis. Huisgenoten mochten alleen met een witte stok in de hand op pad en mochten niet naar kerk of school. Gezien de boetes die werden uitgedeeld, ontdook menigeen deze regels, concludeert Ladan.

De Leidse burgemeesters vergaderden tijdens de pest meestal buiten de stad. Zo had ook de Italiaanse elite besmetting proberen te voorkomen. Het literaire meesterwerk Decamerone werd geschreven in zo’n elitaire zelfquarantaine.

In de zeventiende eeuw kwamen er meer regels. Op begrafenissen – vaak een zuipfestijn –mocht niet meer gedronken worden, rouwkleden en -gordijnen werden verboden, net als de verkoop van tweedehandskleding, en slagers werden extra gecontroleerd. Vruchten, en dan vooral pruimen, werden ook gezien als mogelijke bron.

Vanaf de vijftiende eeuw waren er artsen speciaal belast met de verzorging van de pestlijders. In 1456 was er al een ’pesthuis’ aan de Aalmarkt, maar liever ving men de zieken op buiten de stadsmuren. Daarvoor gebruikte men van 1525 tot 1570 het klooster Lopsen aan de Steenstraat. Omdat het na het Beleg buiten de muren nog lang onveilig was, werd in 1598 het Caeciliaklooster verbouwd tot pest- en dolhuis.

Bij de epidemie van 1635 maakte men buiten de stad een voorlopige opvang. Dat moest een nieuw pesthuis worden. Het zuinige stadsbestuur schoof die beslissing lang voor zich uit. Het was in 1661 klaar, zes jaar na de laatste pestuitbraak in Leiden.

Waarom de pest uit Europa verdween, is niet duidelijk. Misschien hielpen de steeds strengere quarantainemaatregelen, misschien werd de bacterie zwakker of ontstond er toch een zekere immuniteit. Helemaal immuun zijn we nooit geworden, maar met moderne geneesmiddelen is de ziekte goed te bestrijden, als je er op tijd bij bent.

Einde der tijden

De Middeleeuwse pest is ons altijd bijgebleven. Ze zorgde eeuwenlang voor dreiging, voor het gevoel dat het einde der tijden nabij was.

De 17e-eeuwse pest is meer een voetnoot in de geschiedenis. De epidemieën hadden geen enkel effect op de bevolkingsgroei of de economische bloei van Leiden. De economische neergang na 1670 is altijd als een grotere ramp beschouwd.

Net binnen